Het liberalisme en zijn schaduwzijden

Maandag 3 oktober gaf in de aula van de Universiteit van Amsterdam de beroemde politicoloog Francis Fukuyama een lezing naar aanleiding van zijn nieuwe boek “het liberalisme en zijn schaduwzijden”. 

Het boek geeft een uitstekend overzicht van de huidige discussie rondom het liberalisme. Toch overtuigt één element niet en dat zijn de spoken (het neoliberalisme en woke) die het liberalisme van binnenuit zouden bedreigen. Daarom een boekbespreking waar ik de belangrijkste passages in behandel. 

Toegankelijk met voldoende diepgang

De kracht van Fukuyama is dat hij op bondige en elegante wijze de belangrijkste inzichten uit de literatuur weet samen te vatten, te bekritiseren en te beschouwen. Het behandelt in vogelvlucht de grote thema’s waar nu veel over geschreven wordt, waaronder populisme, vrijheid van meningsuiting, woke en techbedrijven. Het leest dan ook als een hitjesparade van politicologische inzichten op dit gebied.

Het boek is toegankelijk maar bevat meer dan voldoende diepgang.

De in het boek beschreven inzichten zijn toonaangevend. Het kost bijvoorbeeld weinig moete om de overeenkomsten te zien met  de recente H.J Schoo-lezing van onze minister van justitie en veiligheid waarin een aantal elementen nadrukkelijk terugkomen. 

De kern overtuigt

De kracht is ook meteen de zwakte: de typische neiging van politicologen om de volledige recente wereldgeschiedenis te willen behandelen door er met zevenmijlslaarzen heen te wandelen maakt dat niet alles even goed uit de verf komt. De kern van het betoog overtuigt, maar een aantal van de argumenten rammelen.

Dat is spijtig, want Fukuyama heeft wel iets belangrijks te melden. Namelijk dat de liberale democratie de enige staatsvorm is die op vreedzame wijze de diversiteit organiseert die in pluralistische samenlevingen bestaat. Liberalisme vormt daarmee het antwoord voor de problemen van onze tijd.

Fukuyama erkent nadrukkelijk dat er veel kritiek op liberale samenlevingen bestaat: ze zijn te hedonistisch, ze tolereren te veel sociale ongelijkheid, ze zijn te divers of juist niet divers genoeg. Maar hij stelt ook de vraag aan al die critici: welk alternatief is beter? Het populisme en autoritaire samenlevingen vormen het uiteindelijke gevolg als het liberalisme niet lukt om de dominante ideologie te blijven.

Het liberalisme is het enige alternatief

Wat Fukuyama betreft zijn er drie kernargumenten die de liberale samenleving rechtvaardigen:

  • Liberalisme is een manier om het gebruik van geweld te reguleren en maakt het mogelijk dat verschillende bevolkingsgroepen vreedzaam samenleven.
  • Liberalisme beschermt de fundamentele menselijke waardigheid en dan met name de menselijke autonomie.
  • Het liberalisme bevordert economische groei en alle goede dingen die voortkomen uit groei, door vrijhandel en eigendomsrecht te beschermen

Dit bovenstaande komt allemaal al min of meer in hoofdstuk één aan bod, daarmee was het al een compleet verhaal geweest maar dat is natuurlijk te weinig om boeken mee te kunnen verkopen. Het is dan ook een opbouw naar een uitgebreide filosofische beschrijving van de mens en het huidige liberalisme. 

Fukuyama meent dat de liberale samenlevingen in crisis verkeren en dat ervoor gevochten moet worden. Hij behandelt uitgebreid de verschillende bedreigingen van het liberalisme. 

Liberalisme: slachtoffer van het eigen succes

Deze bedreigingen zitten in het liberalisme zelf. Het lukt het liberalisme vaak niet om de stevige idealen en beloftes voor iedereen waar te maken. Daarnaast slaan aanhangers in ideologisch opzicht door. De bedreiging komt in zijn ogen van zowel rechts: de neoliberalen die het economisch denken tot het extreme hebben doorgevoerd als van links: het ‘wokisme’ dat het autonomie beginsel zo ver doorvoert dat groepskenmerken belangrijker worden dan individuele eigenschappen en dat taal als machtsmiddel wordt beschouwd.

In de lezing die hij maandag gaf, zei Fukuyama wel dat hij woke als de minder grote bedreiging van de twee ziet. Uit zijn boek kan ik opmaken dat het eerder een theoretische bedreiging is: als het wortel schiet kan het groepsdenken versterken wat tribalisme aanjaagt..

Het neoliberalisme als bedreiging

De echte bedreiging vormt het neoliberalisme: ook wel het doorgeslagen economisch denken. Wat betreft Fukuyama betekent liberalisme niet “kleine overheid en zoveel mogelijk markt”. Hij definieert “klassiek liberalisme” nadrukkelijk vanuit een staatsrechtelijk perspectief: Het meest fundamentele principe van liberalisme is tolerantie: je hoeft het niet met elkaar eens te zijn, maar wel over het feit ieder individu het recht heeft zelf te beslissen wat hij of zij wil zonder dat jij of de overheid zich ermee bemoeit. 

Fukuyama sluit aan bij de populaire notie dat het neoliberalisme de bron is van al het kwaad. Althans: in de ogen van Fukuyama zijn de vooronderstellingen waar ‘neoliberalen’ zich op baseren gegrond, alleen te dogmatisch uitgevoerd. Hij suggereert zelfs dat het neoliberalisme (via Blair en Clinton) uiteindelijk Trump de ruimte heeft gegeven.

Ook in Nederland wordt er in politicologische kringen veel gesproken over het vermeende neoliberalisme. Een boosaardige kracht die alles wat goed is bedreigd. Patrick van Schie heeft met enkele medeauteurs in “neoliberalisme. Een politieke fictie” overtuigend aangetoond dat het neoliberalisme als politieke ideologie niet bestaat. 

Friedman & Hayek

Fukuyama  definieert het neoliberalisme als het denken dat door de Chicago en Oostenrijkse school groot gemaakt is: het gedachtegoed van de nobelprijswinnaars Friedman & Hayek. Van Schie en anderen wijzen in hun boek er ook op dat “9 van de 10 keer” er met neoliberalisme dit gedachtegoed bedoeld wordt. 

Dat het economisch denken van deze wetenschappers invloedrijk is geweest staat buiten kijf. Zeker in de jaren zeventig kon het op grote belangstelling rekenen. Het was toen een belangrijke verdediging tegen het overheersend economisch denken dat leidde tot grote staatsschulden en socialistische overheden. 

De BV Nederland

Maar hoe bepalend is de ideologie werkelijk geweest? Fukuyama gaat mee in de suggestie dat sinds de jaren 80 in het Westen het dominante mantra de ‘terugtrekkende overheid’ is geweest die ten bate staat van de markt. In Nederland de BV Nederland genoemd.

Hier is ook in Nederland veel over geschreven. 

In zijn manifest “Groter denken kleiner doen” noemt Herman Tjeen Willink bijvoorbeeld dat de overheid als bedrijf gezien wordt, met producten en klanten, kosten en opbrengsten. In zijn analyse komt dat ook door een verschuiving in ‘de spraakmakende elite’. Van juristen naar sociologen, en vervolgens van sociologen naar economen en organisatiedeskundigen. Deze laatsten stellen productie en rendement centraal. Hun denken zou dominant zijn geworden binnen hoe men naar de overheid kijkt.

Merijn Oudenampsen en Bram Mellkink proberen in hun boek ‘neoliberalisme’ aan te tonen dat wat men neoliberalisme noemt via de hoge ambtenarij en de wetenschappelijke adviesorganen uiteindelijk ook doordrong in het politieke bestel. Het neoliberalisme krijgt daarmee de geur van een complottheorie, ondanks dat de auteurs nadrukkelijk stellen dat niet zo te zien. 

Fukuyama waarschuwt als reactie op de neoliberalen dat een kleine overheid nooit het doel op zichzelf moet zijn. Een goed functionerende markt heeft ook een sterke overheid nodig. De Scandinavische landen bewijzen dat een liberale samenleving en een grote overheid ook goed met elkaar samen kunnen gaan. Hij beschouwt het argwaan dat hij aan neoliberalen toedicht tegenover de overheid als onterecht.

Dat is zonder meer terecht: maar daarmee lijkt Fukuyama zich te richten tegenover de (tech)libertariers. Een radicale groep vrije-marktdenkers die wij in Europa vrijwel niet kennen.

Doorgeslagen ideologie?

Zijn de geschetste ontwikkelingen in Nederland echt het gevolg geweest van doorgeslagen ideologie? Een ideologie die zichzelf verstopt heeft in technocratische beschouwingen en uiteindelijk de volledige politiek en wetenschap heeft weten te beslaan? In de WRR studie naar “Dertig jaar privatisering, verzelfstandiging en marktwerking” komt een meer genuanceerde kijk: “In de afgelopen decennia heeft zich onmiskenbaar een ingrijpende maatschappelijke transformatie voltrokken (Blyth 2002). Markt, overheid en samenleving zijn in nieuwe verhoudingen tot elkaar komen te staan en zijn elk van karakter veranderd (wrr 2012). Ten dele gaat het hier om autonome ontwikkelingen, maar het overheidsbeleid op het gebied van marktwerking, privatisering en verzelfstandiging heeft hier toch zeker aan bijgedragen. Deze transformatie is sluipenderwijs tot stand gekomen: geen kabinet heeft het voorzien, geen minister is het van plan geweest, er lag geen blauwdruk aan ten grondslag.”

Het klopt dat markt, maatschappelijk middenveld en overheid afgelopen decennia anders tegen over elkaar zijn komen te staan. Daar lag echter geen ideologische blauwdruk aan ten grondslag. Niet het neoliberalisme, maar de grotere belangstelling voor uitvoering (inclusief de boedelscheiding tussen beleid & realisatie) en de door technologische en maatschappelijke ontwikkelingen snel complexer (en meer eisende) wordende samenleving is de reden geweest voor de nieuwe verhoudingen.

Ironisch genoeg is dit wel een belangrijk uitgangspunt van de liberale traditie: de samenleving is niet maakbaar. Juist liberalen moeten weten dat de invloed ideologie uiteindelijk relatief beperkt is. Mark Rutte noemde Nederland ‘een diep socialistisch land’. Terecht als men kijkt naar de grote verzorgingsstaat en de druk die dat uitoefent op de Rijksbegroting. Een gevolg van historische ontwikkelingen, een veelvoud aan politieke keuzes en maatschappelijke ontwikkelingen. Daar kan geen liberaal op een gegeven moment meer verandering inbrengen.

Moderne overheden worden minder ideologisch gestuurd dan een eeuw geleden het geval was. Dat kan wat mij betreft ook niet meer omdat sterke ideologische sturing vereist dat een overheid over heel erg veel sturingsruimte beschikt. Die ruimte is – zo blijkt afgelopen decennia – juist sterk beperkt gebleken. Een overheid kan een pandemie wel managen, maar niet voorzien.

Uitgangspunten voor een liberale samenleving

Fukuyama eindigt zijn boek met uitgangspunten voor een liberale samenleving. Hij richt zich nadrukkelijk op Amerika en de Amerikaanse partijen. Niet verwonderlijk – gezien het eerder genoemde – zegt hij dat in eerste plaats klassiek liberalen het neoliberale idee moeten laten varen waarin de staat afgeschilderd wordt als een demonische en onvermijdelijke vijand van individuele en economische groei. 

Een ander belangrijk liberaal uitgangspunt is volgens Fukuyama het serieus nemen van het federelisme (of in Europa: het subsidiariteitsbeginsel) en daarmee het in handen geven van de macht aan het laagst mogelijke regeringsniveau. Hij merkt op dat gemeenten (in Amerika) zich bezig moeten houden met onmiddelijke problemen (als huisvuilinzameling) maar dat deze lokale bestuursniveaus besmet zijn geraakt met de polarisatie waardoor ze gehinderd worden adequaat te reageren op lokale omstandigheden. 

Vrijheid van meningsuiting beschermen is het derde algemeen liberaal uitgangspunt dat gevolg moet worden. Zowel tegen regeringen als machtige mediabedrijven. 

Het vierde liberaal uitgangspunt betreft de aanhoudende prioriteit die individuele rechten krijgen boven die van culturele groepen. Het is belangrijk om te weten hoe mensen door hun sociale omgeving gevormd zijn, maar uiteindelijk gaat het om de individuele keuzes die zij maken. Opmerkelijk genoeg noemt Fukuyama wel dat sociaal beleid ernaar zou moeten streven dat dat de resultaten in de gehele samenleving gelijk getrokken worden, maar dan op basis van klassen en niet op basis van ras en etniciteit. 

Tot slot roept Fukuyama op tot matiging. Hij hekelt dat jongeren opgeroepen worden ‘hun hart te volgen’. Hij eindigt zijn boek met de zin dat “de terugkeer naar een zekere matiging, zowel individueel als gezamenlijk daarom de sleutel is tot de heropleving en zelfs het voortbestaan van het liberalisme.” Een stukje conservatisme / communitarisme dat ook terugkwam in zijn eerdere boeken.

Conclusie

De kern van het betoog van Fukuyama onderschrijf ik volledig. Het merendeel van zijn uitgangspunten ook. Vernieuwend zijn de inzichten niet, maar wel belangrijk. Het boek is daarmee een terechte inspiratiebron voor iedereen die het klassiek liberalisme een warm hart toedraagt. 

In zijn betoog maak hij enkele uitstapjes (zoals het neoliberalisme) die ik minder goed kan volgen. Kenmerkend daarvoor is zijn afsluitende opmerking over jongeren die hun hart willen volgen en zijn oproep tot matiging. Eerder in het boek heeft hij het ook al over mensen die zelfgenoegzaam aan yoga doen en beweert Fukuyama dat niemand minder dan de bekende rechtsfilosoof John Rawls voor dergelijk gedrag een rechtvaardiging zou bieden. Met de populaire, hedendaagse filosoof Michiel Sandel in de hand probeert hij tot een tegenargument te komen. 

Het zijn aspecten die mij niet overtuigen. Het staat wat mij betreft ook haaks op de kern van het liberalisme: dat individuen zelf mogen weten wat zij willen doen en zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun handelen.

Het betoog inspireert maar overtuigt niet op alle vlakken. Dat hoeft denk ik ook niet. De pluriformiteit van denken betekent ook dat liberalen het niet met elkaar over alles eens hoeven zijn, als we de liberale uitgangspunten maar wel blijven beschermen.

Wat denk jij dat Nederland nodig heeft?

Wat mij betreft een heldere en realistische kijk op gemeentelijk beleid. 

In mijn nieuwsbrief vind je unieke inkijkjes in de Amsterdamse politiek en blijf je op de hoogte van relevante ontwikkelingen op het gebied van participatie en bestuurskunde. Lees je iets dat je interessant vindt? Laat mij het dan weten!

Schrijf je in voor mijn nieuwsbrief via onderstaand formulier:


    Laurent Staartjes

    Amsterdammer. Socioloog. Bestuursrechtjurist. Gek op koken, squashen en musea. Ik blog over lokale politiek, staatsrecht en de kunst van verhalen vertellen. 

    Volg mij op Twitter of lees meer over mij.

     

    Geef een antwoord

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *