Het einde van de traditionele stadsdeelpolitiek is in zicht

Goed nieuws! Het college van B&W van Amsterdam is van plan een besluit te nemen waardoor stadsdeelpolitiek weer op de kaart gezet wordt. Dit naar aanleiding van een kritische evaluatie en diverse moties uit de gemeenteraad. 

Degene die het besluit goed doorleest ziet echter iets anders: het einde van de traditionele stadsdeelpolitiek komt in zicht. Niet alleen door het voornemen te gaan werken met allerlei vormen van loting en participatieve democratie, maar voornamelijk omdat het college een belofte moet nakomen die zij niet kan nakomen. Het roept fundamentele vragen op over de rol die traditionele stadsdeelpolitiek nog kan vervullen.

Hoe dat precies zit lees je in deze blog.

1. Het voorgenomen besluit

In het “Besluit Hoofdlijnen bestuurlijk stelsel 2022” (hierna: voorgenomen besluit) spreekt het college zijn voorkeur uit voor het “Stadsdeelplus scenario” aangevuld met participatieve elementen. Dit mede op grond van de aangenomen moties in de gemeenteraad en de adviezen ingediend vanuit de stadsdelen. Het college wil de slagkracht van het dagelijks bestuur versterken maar ook de controle daarop door een gekozen stadsdeelcommissie. Daarnaast blijft het college het Dagelijks Bestuur benoemen.

Voor het voorgenomen besluit heeft het college vier mogelijke varianten laten ontwikkelen. Twee daarvan vielen af (waaronder de variant om alles hetzelfde te laten) en variant B en D blijven over. Het belangrijkste verschil tussen de twee is volgens het college de vraag of de toekomstige bestuurscommissie bestaat uit één of twee commissies. Daarmee lijkt de keuze makkelijk te zijn gemaakt, maar dat valt helaas flink tegen.

Het belangrijkste verschil tussen de twee is volgens het college de vraag of de toekomstige bestuurscommissie bestaat uit één of twee commissies. Daarmee lijkt de keuze makkelijk te zijn gemaakt, maar dat valt helaas flink tegen.

2. Het Stadsdeelplus scenario

In de onderzoeksrapportage van Necker van Naem wordt het stadsdeelplus scenario omschreven als: Het stelsel wordt aangepast door de stadsdeelcommissies (weer) een volwaardig democratisch orgaan te maken dat volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende taken heeft ten opzichte van de dagelijks besturen.

Dat klinkt mooi maar het college benoemt in het voorgenomen besluit op pagina 13 in een bijzin wel het cruciale probleem: “Daarbij moet ook rekening worden gehouden dat de algemene volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende taken van de raad niet overgenomen kunnen worden door lokale vertegenwoordiging.” De gemeentewet verzet zich eenvoudig weg tegen het Stadsdeelplus scenario zoals dat door de onderzoekers is voorzien.

Het voorgenomen besluit is dan ook een curieuze bedoening. Met de beperkte riemen die het college heeft probeert het een belofte na te komen die het college niet kan inwilligen. Binnen het openbaar bestuur is dit het meest geijkte recept voor een bittere teleurstelling.

Met de beperkte riemen die het college heeft probeert het een belofte na te komen die het college niet kan inwilligen. Binnen het openbaar bestuur is dit het meest geijkte recept voor een bittere teleurstelling.

3. De keuzes die het stadsbestuur kan maken

Het college is natuurlijk reuzebenieuwd naar wat de raad en de stad vindt en laat de keuze tussen model B en D open. Daarmee suggereert het alsof er wat te kiezen valt. Is dat ook echt zo? Daarvoor moeten we beide modellen bekijken:

Model B:

“In het model met twee commissies (B) worden taken en bevoegdheden van college en BM overgedragen aan het DB (analoog aan de huidige situatie). De stadsdeelcommissie wordt ingesteld door de raad en die kan beperkt taken en bevoegdheden overdragen (maar niet het budgetrecht). Voor de controle en verantwoording moet een wisselwerking tussen DB en stadsdeelcommissie geconstrueerd worden. Dit kan je doen door in de verordening waarmee je het DB als bestuurscommissie instelt vast te leggen hoe het DB vooraf en achteraf de stadsdeelcommissie betrekt bij haar keuzes. Omdat er geen directe relatie is tussen DB en stadsdeelcommissie is de invloed van de SDC afhankelijk van het nakomen van die afspraken uit de verordening door het DB.”

Model D:

In het model met één commissie (variant D) worden taken en bevoegdheden van raad, college en BM overgedragen aan de stadsdeelcommissie. Het benoemde DB voert die taken en bevoegdheden uit in mandaat namens de stadsdeelcommissie. In dat model is de controle en verantwoording op lokaal niveau helder geregeld, het DB werkt in opdracht van de stadsdeelcommissie. Er is dan een vanzelfsprekende verantwoordingsrelatie, de stadsdeelcommissie kan het DB corrigeren.

Valt er echt wat te kiezen? Alleen Model D waarborgt dat de gekozen / gelote stadsdeelcommissieleden hun nieuwe controlerende taak naar behoren kunnen uitvoeren. In model B is de invloed die de gekozen / gelote leden kunnen uitoefenen zeer vrijblijvendheid. Daarmee krijgt de SDC nog minder tanden dan dat deze nu al heeft. De democratische lacune blijft dan niet alleen bestaan maar wordt mogelijk zelfs vergroot. De raad heeft – door de wens uit te spreken dat de stadsdeelcommissie weer een controlerende taak krijgen – feitelijk de keuze al gemaakt. 

Het college laat de keuze tussen model B en D open. Daarmee suggereert het alsof er wat te kiezen valt.

4. De vraag waar het probleem eigenlijk omdraait

Het werkelijke probleem dat het college moet oplossen is niet de keuze tussen de twee modellen, maar de vraag wat in het nieuwe stelsel precies gecontroleerd kan worden door de verkozen / gelote bestuurscommissieleden.

Kaderstelling is “het normeren het inhoudelijk, financieel en procedureel speelveld waarop het college zijn bestuursbevoegdheid uitoefent. Kaderstelling staat daarmee gelijk aan opdrachtformulering. De kaders die de raad stelt zijn op te vatten als opdrachten en randvoorwaarden waarbinnen het college een bepaald onderwerp uitwerkt en ter hand neemt. Controleren betekent het vergelijken van de uitvoering van het beleid door het college met de gestelde kaders. De kaders vormen de norm.”

Stedelijk beleid wordt op stadsniveau gecreëerd en gelegitimeerd door een raadsmeerderheid. De uitvoering vindt grotendeels plaats op stadsdeelniveau, maar daar wordt geen beleid gemaakt. In het voorgenomen besluit spreekt het college nadrukkelijk van “bewegingsvrijheid” in plaats van “beleidsvrijheid”. Dat laatste kan niet geboden worden.

Moeten commissieleden controleren of de uitvoerende bestuursleden collegebeleid uitvoeren dat zij zelf niet hebben gelegitimeerd en opgesteld? Dat is een onwerkbare situatie en gaat rechtstreeks tegen de definitie in. Praktisch levert het ook hoofdbrekens op: wat als de commissieleden zich niet in dat collegebeleid kunnen vinden of het stedelijk belang botst met het stadsbelang? Fracties op stadsdeelniveau – die zullen blijven bestaan – fungeren daardoor nog veel meer mee als verlengstuk van de fracties op stedelijk niveau, waar het werkelijke beleid wordt gemaakt.

Dat is onlogisch. Schrijf dan geen aparte verkiezingen uit maar laat raadsleden direct commissieleden benoemen als dat werkelijk de wens is. 

5. De oplossing van het college

Het college wil dit probleem deels oplossen door een heldere opdracht aan het lokaal bestuur nader uit te werken, met heldere verantwoordelijkheden en goede ambtelijke ondersteuning om die opdracht waar te kunnen maken en daartoe de benodigde taken en bevoegdheden helder af te bakenen. De gedachte lijkt dan te zijn dat de gekozen / gelote commissieleden kunnen controleren of de benoemde leden die opdracht en taakstelling goed uitvoeren.

Hierbij zal gekeken worden naar:

• Het ruimtelijk domein (openbare ruimte en groen, Wabo-vergunningen, bestemmingsplannen en de nieuwe Omgevingswet);
• Het sociaal domein (welzijn en zorg);
• Gebiedsgericht werken;
• De uitvoering van participatie met bijbehorend (buurt)budget

Het valt op dat openbare orde & veiligheid niet genoemd wordt, wat een voorbode kan zijn dat de ‘stadsdeelburgemeester’ (voorzitter DB) mogelijk verdwijnt. Belangrijker is dat de bestuurscommissies (met gelote en gekozen bewoners) nog meer een uitvoerend orgaan worden. Dat past bij de ontwikkeling die is ingezet vanaf 2014 maar roept wederom de vraag op wat precies de toegevoegde waarde is van de gekozen en gelote bewoners. 

Waarom heeft de volksvertegenwoordiging nog een rol in een uitvoerend orgaan? Welke beleidskeuzes en tegenstellingen kunnen centraal komen te staan tijdens verkiezingen? Bewoners die willen participeren en invloed willen uitoefenen op sociaal en ruimtelijk beleid (de kern van de nieuwe opdracht) kunnen dat effectiever via een andere route doen. 

Het werkelijke probleem dat het college moet oplossen is niet de keuze tussen de twee modellen, maar de vraag wat in het nieuwe stelsel precies gecontroleerd kan worden door de verkozen / gelote bestuurscommissieleden.

6. De volgorde verkeerd of de verkeerde volgorde

Het stadsbestuur zit klem. De stad vraagt om een democratische gelegitimeerde volksvertegenwoordiging op stadsdeelniveau – althans, volgens het college zelf – maar een volwaardig democratisch orgaan kan niet geboden worden. Teleurstelling ligt op de loer.

De beste aanpak zou zijn om eerst heel secuur de opdracht voor de bestuurscommissie (met benoemde leden) te formuleren en dan grondig onderzoek te doen naar welke vormen van representatieve of participatieve democratie daarbij kunnen horen. In het voorgenomen besluit noemt het college ook nadrukkelijk dat zij eerst de rol van de bestuurscommissie scherp wil krijgen. Dat kost meer tijd dan er nog beschikbaar is. Het college heeft die kans deze periode helaas laten schieten.

Parallel wordt nu een opdracht geformuleerd en een nieuw stelsel met één of twee commissies in elkaar geknutseld. Met een beetje pech dient de raad vervolgens nog een hele sliert aan moties in om hun eigen hobby’s erin terug te zien en zitten we met een gemankeerd stelsel opgescheept. Stadsdeelpolitiek met lokale lijsten en verkiezingsprogramma’s heeft dan geen bestaansrecht meer. Bewoners kunnen via allerlei burgerpanels (waarin bewoners weer andere bewoners adviseren) mee kletsen over wat er leeft en speelt binnen de wijk zonder dat het centrale stadsbestuur daar iets mee hoeft te doen. Blijft de al lang uit het oog verloren hamvraag over: Is Amsterdam en de Amsterdammer daarmee gebaat?

Wat denk jij dat Nederland nodig heeft?

Wat mij betreft een heldere en realistische kijk op gemeentelijk beleid. 

In mijn nieuwsbrief vind je unieke inkijkjes in de Amsterdamse politiek en blijf je op de hoogte van relevante ontwikkelingen op het gebied van participatie en bestuurskunde. Lees je iets dat je interessant vindt? Laat mij het dan weten!

Schrijf je in voor mijn nieuwsbrief via onderstaand formulier:


    Laurent Staartjes

    Amsterdammer. Socioloog. Bestuursrechtjurist. Gek op koken, squashen en musea. Ik blog over lokale politiek, staatsrecht en de kunst van verhalen vertellen. 

    Volg mij op Twitter of lees meer over mij.

     

    Geef een antwoord

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *