Buurtorganisaties op de bres

In Het Parool stellen buurtorganisaties meer inspraak te willen bij de gemeente. Daarvoor uiten zij een noodkreet. Goede bewonersorganisaties op lokaal niveau is wat Amsterdam nodig heeft, menen zij. De organisaties pleiten dan ook voor de invoering van een “Buurtplatformrecht”. Geïnspireerd op de zogenaamde “buurtrechten”. Wat in het kort er op neer komt dat collectieven van bewoners recht hebben op ondersteuning, ruimte en inspraak.

De noodkreet komt niet als donderslag bij heldere hemel. De positie en subsidie van de bewonersorganisaties staat momenteel flink ter discussie. Niet alleen in Amsterdam maar ook in andere steden. De vraag is of de gemeente en het stadsdeel bewonersorganisaties wil blijven faciliteren. In Amsterdam worden met de wijziging in “de sociale basis” veel organisaties in de toekomst niet meer gefinancierd.

Geschiedenis bewonersorganisaties

Elke grote gemeente in Nederland kent een cultuur en een structuur waarin bewonerscollectieven een rol spelen. Sommige bewonersorganisaties zijn al meer dan een eeuw oud. De meeste komen uit de jaren zeventig, toen de tijdsgeest collectieven stimuleerde. Activiteiten van bewonersorganisaties zijn onder meer het realiseren van sociale initiatieven en opkomen voor de belangen van de buurt.

Klimaat: er waait een andere wind

Afgelopen decennium was er veel aandacht voor burgerbetrokkenheid, participatie en democratisering. Paradoxaal genoeg werkte dat in het nadeel van de georganiseerde groepen bewoners. Veel mensen ondernemen tegenwoordig activiteiten juist buiten de bewonersorganisaties om. Burgerinitiatieven worden opgezet door los georganiseerde groepen bewoners.

Gemeenten hebben actief beleid ontwikkeld om deze burgerinitiatieven te ondersteunen. Daarbij werd er steeds kritischer gekeken naar de rol van de (gevestigde) bewonersorganisaties. Zijn die nog wel van deze tijd?

De bewonersorganisaties zijn sterk vergrijsd, hebben moeite met het vinden van vrijwilligers en de vraag is of zij representatief zijn voor de buurten die zij vertegenwoordigen. In grote steden zijn buurten de afgelopen jaren sterk veranderd qua bewonerssamenstelling en karakter. Veel bewonersorganisaties leunen sterk op de (beperkte) budgetten die beschikbaar zijn voor welzijnsactiviteiten en concurreren direct met de professionele welzijnsorganisaties die ook activiteiten organiseren.

Waar bewonersorganisaties vroeger het eerste aanspreekpunt waren van de gemeente, kiezen gemeentes er vaker voor om hun opgaven op het gebied van welzijn aan te besteden aan professionele organisaties en wordt er juist getracht om de opvatting van de ‘doorsnee bewoners’ te bereiken en niet alleen die van ‘the usual suspects’.

De positie van bewonersorganisaties is dus sterk veranderd. Dat betekent niet dat er geen rol voor hen is weggelegd. Bewonersorganisaties die zijn gemoderniseerd hebben hun positie juist versterkt. Zij spreken jongere vrijwilligers aan, hebben inkomstenbronnen buiten de gemeente om en faciliteren actief bewonersinitiatieven van bewoners die niet aangesloten zijn bij een organisatie. Deze organisaties zijn eerder de uitzondering dan de norm. Het vereist veel inzet om een dergelijke organisatie op te bouwen en draaiend te houden.

Beleid en beleidskaders: niet buiten de lijntjes kleuren

De Rekenkamercommissie van Rotterdam heeft in een lijvig rapport (192 pagina’s) bekeken hoe Gemeente Rotterdam omgaat met bewonersinitiatieven. De opgedane inzichten zijn ook relevant voor andere steden.

Belangrijke conclusie is dat de gemeente voornamelijk initiatieven weet te ondersteunen die aansluiting hebben bij bestaand (college)beleid. Dat is niet verwonderlijk vanuit het perspectief bezien van de gemeente, maar toch opmerkelijk. Bewonersorganisaties en bewonersinitiatieven opereren vaak buiten gemeentelijk beleid om. Zij zien hun plannen juist als een aanvulling op gemeentelijk beleid of als een betere variant. 

De verdeling van schaarse middelen zoals ambtelijke ondersteuning, vergunningen en subsidies is in feite een politiek vraagstuk waar lokale volksvertegenwoordiging (met name de gemeenteraad) een grote rol in heeft.

Het is dus niet raar dat bewoners die een claim leggen op de schaarse collectieve middelen hun claim politiek moeten bepleiten. In de praktijk willen bewoners liever geen politiek beoefenen, zij willen gewoon dat in hun wijk ook een voorziening als een zwembad of moestuincomplex wordt aangelegd.

De rekenkamer stelt voor dat de gemeente een speciaal loket inricht waar bewoners makkelijk met hun plannen terecht kunnen. De ambtenaar die de plannen behandelt moet overzicht hebben welke afdelingen betrokken moeten worden. Daarbij ligt het zwaartepunt op de ambtelijke afhandeling en niet op bestuurlijke besluitvorming.

Lokale, georganiseerde buurtvertegenwoordiging zou een belangrijke rol kunnen spelen tussen de wensen en initiatieven van bewoners en het gekozen stadsbestuur. Die rol wordt echter maar heel beperkt opgepakt. In de praktijk zijn het participatieambtenaren (bijvoorbeeld buurtmakelaars) die de schakelrol op zich nemen.

Bewonerscommissies: geformaliseerde buurtvertegenwoordiging

Vertegenwoordiging van de buurt loopt ook via andere kanalen dan via de bewonersorganisaties. In Rotterdam en Amsterdam wordt er gewerkt met een vorm van stadsdeelpolitiek. Zelf neem ik ook zitting in een dergelijk orgaan nadat ik in 2018 verkozen ben.

Wethouder Groot-Wassink wil daarnaast ook ‘ongekozen bewoners’ een grotere stem geven in beleidsvorming. Dit heeft onder meer geleid tot de toevoeging van een participatieparagraaf in beleidsvoorstellen. Dit concreet invullen blijkt in de praktijk nog een grote opgave te zijn. Het steeds groter wordende drama rondom de nieuwe Meervaart bewijst ook dat participatie en grote projecten vaak niet goed samengaan, zelfs als een college dat als speerpunt heeft. De insteek is dat bij gebiedsontwikkeling stevig geparticipeerd wordt, maar belangrijke keuzes zijn vaak al gemaakt.

In de verordening in Amsterdam is bepaald dat het Dagelijks Bestuur van een stadsdeel participatie aanjaagt (faciliteert en stimuleert) en dat de stadsdeelcommissies de taak hebben buurtinitiatieven te ondersteunen. Zij signaleert, agendeert en adviseert over dergelijke initiatieven. 

In Amsterdam-West werken wij met de Stem van West. Bewoners kunnen hun plan indienen en bij voldoende stemmen wordt het plan geagendeerd en geeft de stadsdeelcommissie een positief of negatief advies over de wenselijkheid van het plan.

In Rotterdam gaan de gebiedscommissies ook over de verdeling van de subsidie. Het rapport van de Rekenkamer wijst uit dat het ondersteunen van buurtinitiatieven daar niet altijd soepel verloopt:

Organiseer een bewustwordingscampagne voor gebiedscommissieleden om te benadrukken het hun is bewonersinitiatieven te faciliteren en dat een negatieve toonzetting tijdens de gebiedscommissievergadering hier afbreuk aan doet.

Waar komt die ‘negatieve toonzetting’ vandaan? In het rapport wordt onder meer gesproken over een ‘cultuurprofessional’ die ‘een sociaal uurtarief’ hanteerde in de begroting voor haar initiatief. Leden van de gebiedscommissie hebben tijdens de bespreking in hun vergadering hier ‘kritisch op gereageerd’ terwijl zij ‘onvoldoende verstand van zaken hebben’ bij wat gangbaar is.

Het ging dus over hoe en waar het geld voor een initiatief aan besteed mag worden. Fundamentele vragen als ‘mag een initiatiefnemer zelf aan het initiatief verdienen?’ worden dan per commissievergaderingen en per aanvraag uitgevochten. Initiatiefnemers schrikken vaak ook van de “aanvullende vragen” die een dergelijke commissie kan stellen. Die gaan vaak veel verder dan ambtenaren (op grond van afgebakende subsidieregelingen) stellen. Dat schrikt af.

Rol van de bewonersadviescommissies

In West buigen wij ons dit jaar – tussen de coronaperikelen door – actief over de vraag welke rol de stadsdeelcommissie heeft of zou moeten hebben in het verdelen van de buurtbudgetten en het stimuleren van buurtinitiatieven.

Het lijkt mij onwenselijk dat een bewonerscommissie direct gaat over de toekenning van de subsidie. Indieners hebben recht op een professionele en transparante afhandeling van hun aanvragen. De problematiek in Rotterdam is kenmerkend voor wanneer bewoners in ondoorzichtige overleggen elkaars plannen de maat nemen. Bewonersadviescommissies kunnen wel kaders opstellen waarin aangegeven wordt welk type initiatieven zeker voor ondersteuning in aanmerking komt.

Feitelijk is dat ook de gedachte achter de “gebiedsplannen” waarmee per wijk bekeken wordt wat de aandachtspunten zijn. Voor deze aandachtspunten is geld beschikbaar om activiteiten te ondersteunen. In de praktijk is de totstandkoming van deze plannen een grote, procedurele rotzooi. De plannen zijn uitwerkingen van de collegeprioriteiten en kennen een top-down insteek. Er wordt wel met bewoners gesproken, maar het hoe en wat is – zoals vaak bij participatie – zeer ondoorzichtig. De rol van de stadsdeelcommissie is relatief beperkt, hoewel zij formeel wel instemming moeten geven.

Wethouder Groot-Wassink heeft in een raadsbrief aangegeven de procedures stevig tegen het licht te houden. Door corona is helaas op dit moment nog steeds onduidelijk wat daar het concrete resultaat van is geweest.

Conclusie

De tijd van de bewonersorganisaties lijkt door maatschappelijke ontwikkelingen voorbij te zijn. Alleen de organisaties die sterk zijn gemoderniseerd en zich meebewegen met de tijd en beleid zijn nog kansrijk.

In plaats van bewonersorganisaties zijn buurtinitiatieven opgekomen. In de praktijk lijken alleen buurtinitiatieven die een goede aansluiting hebben met (bestaand) gemeentebeleid voor ondersteuning in aanmerking te komen.

Bewoners zijn doorgaans niet goed op de hoogte van lokale politiek en hebben zelden de ambitie om zich daar mee te bemoeien. Bewonersorganisaties zouden die schakel kunnen vormen, maar pakken die rol in de praktijk nauwelijks op. Ambtenaren doen dat uit hoofde van hun functie wel, maar zijn aangesteld door de gemeente en niet door bewoners zelf.

Formeel spelen buurtvertegenwoordiging organen als de stadsdeelcommissie ook een belangrijke rol. In de praktijk is die rol nog niet uitgekristalliseerd. Ondanks dat colleges aangeven participatie belangrijk te vinden, blijkt in de praktijk de invulling daarvan een grote uitdaging te zijn.

In Amsterdam-West zullen wij dit jaar nog kritisch kijken naar hoe wij burgerinitiatieven beter kunnen ondersteunen. Hierbij is mijn standpunt dat ik het niet wenselijk vind dat bewonerscommissies direct geld verdelen. Wel stel ik voor de kaders van de verdeling van het geld democratischer te maken dan nu het geval is.

Krijg jij mijn nieuwsbrief al?

Geen reclame! Wel interessante updates, artikelen en tips.


    Laurent Staartjes

    Amsterdammer. Socioloog. Bestuursrechtjurist. Gek op koken, squashen en musea. Ik blog over lokale politiek, staatsrecht en de kunst van verhalen vertellen. 

    Volg mij op Twitter of lees meer over mij.

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *