Hoe Amsterdams cultuurbeleid zijn eigen problemen creëert

Het Amsterdamse cultuurbeleid zucht onder het gewicht van zijn eigen progressieve ambities. De wens om de culturele sector diverser en inclusiever te maken botst met de wens om uniek, historisch cultureel erfgoed voor toekomstige generaties toegankelijk te houden.

De Amsterdamse gemeenteraad heeft ervoor gekozen zich niet te bemoeien met de toekenning van de subsidies. Tegelijkertijd zijn die subsidies zo politiek geladen dat de raad eigenlijk niet aan die verantwoordelijkheid ontkomt. De oplossing is te vinden in het evalueren en herzien van het subsidiebeleid.

Kritiek op Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK)

AFK-directeur Annabelle Birnie uit in het Parool haar onvrede over de kritiek die is ontstaan na het publiceren van het AFK advies. Zij hekelt in het bijzonder de kritiek van enkele columnisten en politici op het advies van het AFK geen subsidie toe te kennen aan Museum Onze Lieve Heer op Solder.

“Wat moet ik er verder op zeggen? Ik vind het soms onverklaarbaar waar al die meningen vandaan komen, maar dat geldt ook voor veel andere onderwerpen in onze maatschappij; als mensen boos zijn, komt het vaak op een manier naar buiten die niet altijd op feiten is gestoeld en waar net zoveel mensen die je niet hoort het mee oneens zijn.”

Steen des aanstoots voor veel critici is het opnemen van het ‘diversiteitscriterium’ in de beoordeling. Birnie wijst erop dat Museum Onze Lieve Heer op Solder daar een ‘voldoende’ voor scoorde. Diversiteit is dus niet de reden waarom de toekenning niet is toegewezen. Tijdens de behandeling in de Amsterdamse Gemeenteraad van 26 augustus (KDD-commissie debat) werd dat argument door diverse raadsleden en ook de wethouder nog enkele keren herhaald.

Dat is niet terecht. De kritiek van onder andere Diederik Boomsma kent wel degelijk een grondslag. De beoordeling van het AFK kent twee componenten:

  1. een beoordeling of de instelling in aanmerking komt voor subsidie
  2. een plek op de ranglijst.

De aanvrager moet aan enkele voorwaarden voldoen om überhaupt in aanmerking te komen voor subsidie. Een onvoldoende voor het zakelijk plan betekent bijvoorbeeld uitsluiting van deelname. Daarna bepaalt het totaal van de beoordeling de plek op de ranglijst. Alleen de hoogst scorende aanvragen komen in aanmerking voor een toekenning.

Het museum scoorde alleen op het onderdeel “belang voor de stad” een ‘goed’. Alle andere criteria waren slechts ‘voldoende’. Waarbij een onderdeel als ‘artistiek belang’ zwaarder (anderhalf keer) meetelt in de eindscore.

Waarom scoorde het museum volgens de commissie goed op “belang voor de stad”? Uit het rapport:

“De commissie is vol lof over de verbinding die het museum met de stedelijke samenleving is aangegaan. Inhoudelijk heeft het museum in het kader van Voices of Tolerance en in de tentoonstellingsprogrammering de laatste jaren aansluiting gezocht bij het maatschappelijk debat over identiteit, diversiteit en tolerantie. Ook werkt het samen met allerhande maatschappelijke partners. In samenwerking met de Portugese synagoge, de Fatih moskee en de Boeddhistische tempel heeft het museum een Gebedshuizentour ontwikkeld.”

En de voldoende voor ‘artistiek belang’?

“De commissie vindt de toon van de tentoonstellingen sterk educatief en soms zelfs belerend en daardoor voor een volwassen publiek minder aansprekend. Het museum geeft zelf aan dat het algemene verhaal over huis en kerk momenteel te eenzijdig wordt verteld vanuit een West-Europees en joods-christelijk perspectief. De commissie is positief over het voornemen de introductiefilm en de audiotours te vernieuwen om deze een inclusiever verhaal te laten vertellen en meer uitleg te bieden voor wie minder vertrouwd is met de kerkgeschiedenis en de religieuze beleving waar de kerk een exponent van is.”

De feiten zijn dat de instelling ook op de andere onderdelen nadrukkelijk beoordeeld is op grond van het diversiteit en inclusiviteitscriterium. Dat past binnen de (politieke) wind die waait binnen de cultuursector. Het college heeft als speerpunt van het cultuurbeleid ook “diversiteit en inclusiviteit”. Uit het Kunstenplan:

“De gemeente vraagt aan alle instellingen die in aanmerking willen komen voor een vierjarige Kunstenplansubsidie een actieplan op te stellen over diversiteit en inclusie (bijlage 2). De gemeente volgt hierbij de Code Diversiteit & Inclusie en het uitgangspunt van de vier p’s: programma, publiek, personeel en partners. De nieuwe Code Diversiteit & Inclusie, geïntroduceerd op 1 november 2019, is “een gedragscode die streeft naar inclusie, als noodzaak om diversiteit te kunnen borgen. Met het naleven van de nieuwe code ontstaat een culturele en creatieve sector waarin iedereen zich welkom voelt, ongeacht culturele achtergrond, gender, seksuele voorkeur, beperking, leeftijd of economische status.”1

Representatie is het uitgangspunt: zo wordt kunst en cultuur in Amsterdam een afspiegeling van de stad.”

De keerzijde van het maken van een politieke keuze

De Amsterdamse politiek heeft nadrukkelijk gekozen om tijdens deze subsidieronde het aspect “diversiteit en inclusiviteit” leidend te maken.

Het levert alleen wel een probleem op als

  • Een beheerder van cultuur erfgoed volledig afhankelijk is van gemeentelijke subsidies
  • Primair als belang heeft het beheren van uniek cultureel erfgoed.

De wens van ‘meer diversiteit en inclusiviteit’ ligt dan buiten de ‘kerncompetenties’ van een dergelijke instelling. Mee kunnen doen met de politieke mode ligt dan niet altijd voor de hand. Zelfs als de instelling in aanmerking komt voor subsidie zal deze vanwege het gebrek aan diversiteit niet hoog genoeg scoren om meegenomen te kunnen worden in de toekenning. Wat gebeurde.

De mogelijkheid bestaat natuurlijk dat er dan een andere financieringsbron gevonden wordt. Zoals Birnie dat zei:

“Het woord is nu aan de politiek; mocht de raad gehoor geven aan de vele steunbetuigingen, is dat hun beslissing. Maar het zal niet gemakkelijk zijn om daar weer dekking voor te vinden. Het is echt een ingewikkelde kwestie, ik ben blij dat ik niet in hun schoenen sta.”

De ironie is dat gemeenteraad van Amsterdam juist gekozen heeft voor een stelsel waarin de gemeenteraad de keuze voor de subsidie heeft neergelegd bij het AFK. De raad wil niet over elke toekenning uitgebreid debatteren. 

Die wens is m.i volledig terecht. Dit was één van de uitgangspunten van het vorige college.

De politiek zou echter de politiek niet zijn als men niet via de achterdeur wel een uiterst politiek geladen opdracht heeft meegegeven aan het AFK. Deze opdracht is door de raad bekrachtigd. Waarmee de raad wel degelijk invloed uitoefent op hoe de subsidies verdeeld worden en daar ook wat van kan vinden. 

Oplossing bedacht door het college

Inmiddels is bekend geworden dat het college een oplossing heeft gevonden. Zie o.a De Volkskrant: Museum ons lieve heer op solder gered. Amsterdam geeft toch subsidie.

Er is gekozen om Het Museum Ons Lieve Heer op Solder op te nemen in de zogenaamde “Basisinfrastructuur Amsterdam” (Amsterdamse Bis) als ‘instelling op naam”. Op het eerste gezicht een logische keuze als je naar de definitie kijkt:

“Daarnaast zijn er kunst- en cultuurinstellingen die bijzonder, uniek in hun functie, onvervangbaar zijn én behoren tot het fundament van de Amsterdamse culturele infrastructuur. Het gemeentebestuur benoemt deze instellingen op naam in de Amsterdam Bis.”

Puur op basis van die definitie valt het museum er zeker onder. Daar kan het Museum Ons Lieve Heer op Solder dus ook toe gaan behoren. Maar waarom is daar dan niet al eerder door het college of door de raad voor gekozen?

Het antwoord is simpel. Het is een gekunstelde oplossing:

  •  Het college heeft ervoor gekozen om binnen het bestaande cultuurbudget geld te vinden. Dat ligt voor de hand (budgetrecht ligt bij de raad) maar heeft ook een andere reden. Amsterdam is door de Coronacrisis zo goed als failliet. Om de begroting rond te kunnen krijgen zal er eerder geld af moeten van de cultuurbegroting dan dat er nog bij kan. Er is dus simpelweg gekeken waar nog geld is. 
  • Vervelend genoeg heeft het college het geld van Amsterdamse Bis al uitgegeven aan de instellingen die al eerder opgenomen waren. De aanwijzing moet dus gepaard gaan met een verplaatsing van middelen uit een ander projectpotje (o.a innovatie).
  • Er gelden strenge eisen en verantwoordelijkheden voor instellingen op naam van de Amsterdamse Bis. Een eerdere toewijzing lag allesbehalve voor de hand.

Voldoet het Museum Ons Lieve Heer op Solder aan deze criteria? 

Volgens het advies van AFK niet. De vraag is ook of het museum überhaupt de ambitie heeft om aan die eisen te voldoen. Dat vereist aanzienlijk meer budget en personeel dan beschikbaar is. Daarnaast gaat dat ten koste van andere taken.

Wethouder Meliani (GroenLinks) stelt dat het college gekeken heeft naar “het unieke, historische karakter van de kerk en het museum”, “het actieplan binnenstad” en “het belang dat het college hecht aan de boodschap van tolerantie die door het museum wordt uitgedragen”.

Het college is zich goed bewust van het probleem. Vanwege het unieke karakter en de grote maatschappelijke druk is niet financieren geen optie. Maar het door de wethouder zelf bedachte Kunstenplan maakt een noodgreep noodzakelijk.

Verbazing in de raad

Als vanzelfsprekend leidde dit tot verbazing in de raad. Annabel Nanninga (FVD) vroeg terecht of de ranking van het AFK niet is aangehouden. Veldhuyzen (Bij1) vroeg of dan ook andere instellingen (in het bijzonder Urban Myth) niet ook opgenomen kan worden. 

De wethouder wiebelt vervolgens een beetje om alle bezwaren heen. De bezwaren zijn namelijk terecht. Dat weet zij zelf ook wel maar zij moet wel een reparatie uitvoeren van haar eigen gemankeerde beleid. Het probleem wordt daarmee nog veel groter. Door de verschuiving  van het geld is er geen budget meer beschikbaar voor kleinere projecten en freelancers. Tegelijkertijd heeft de wethouder een nieuw probleem gecreëerd. Volgens haar eigen beleid moeten Amsterdamse Bis instellingen aan strenge eisen voldoen:

De instellingen in de Amsterdam Bis vormen het fundament van de
(gesubsidieerde) culturele infrastructuur van Amsterdam. Een positie in
de Amsterdam Bis betekent meer verantwoordelijkheid en verplichtingen.
Van de instellingen die op naam zijn aangewezen in de Amsterdam Bis
verwachten we dat zij:

  • actief verantwoordelijkheid nemen voor de culturele infrastructuur door
    bijvoorbeeld toe te zien op (delen van) culturele ketens;
  • aantoonbaar structurele samenwerkingsverbanden aangaan met
    andere kunst- en cultuurinstellingen. Van de podia verwachten we dat
    zij onderling meer samenwerken en zich optimaal inzetten om met een
    Systematiek Amsterdam Bis en AFK zo divers en gevarieerd mogelijke reeks van producerende instellingen (bespelers) samen te werken;
  • actief zijn op het gebied van cultuureducatie en/of talentontwikkeling
    en/of cultuurparticipatie. In samenhang met het rijksbeleid vragen we
    een substantiële bijdrage aan cultuureducatie en/of talentontwikkeling,
    al naar gelang de aard en activiteiten van de instelling
  •  zich aantoonbaar inzetten voor het bereiken van nieuwe
    publieksgroepen (met name jong en divers).

Komen we wederom bij dezelfde vraag. Is een instelling die primair als doel heeft een specifiek onderdeel van het cultureel erfgoed (dat onvervangbaar is) te bewaren en toegankelijk te maken instaat om aan al die hooggespannen verwachtingen te voldoen? Wil de instelling dat wel?

Als het gemeentebestuur besluit om één instelling van al die eisen en plichten te ontslaan. Is het dan fair (en juridisch mogelijk..) om andere instellingen die subsidie ontvangen wel nog aan dezelfde eisen en plichten te houden?

De oplossing

Het probleem is heel eenvoudig: De wens om zeer uitgesproken progressieve cultuurpolitiek te willen bedrijven en de zeer hoge verwachtingen die daarbij komen kijken staan haaks op een andere taak die hoort bij cultuurbeleid. Het ‘saaie’ behouden en toegankelijk maken (d.m.v educatie en bezoekmogelijkheden) van (historisch) cultureel erfgoed.

De oplossing wordt aangedragen door zowel de ChristenUnie als het CDA. Pas de voorwaarden voor instellingen die erfgoed beheren aan. De systematiek waarbij om de 2 a 4 jaar beoordeeld moet worden of erfgoed nog divers genoeg is om behouden te blijven voor de stad is vrij onzinnig.

De wethouder stelt aan de raad voor om met een opdracht te komen om het huidig cultuurbeleid te evalueren. Dat is politiek handig want een dergelijke opdracht formuleren is een hels karwei. Tegelijkertijd biedt dit kans voor de politieke partijen om de weeffouten – die er nu overduidelijk in zitten – eruit te vissen. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *