De H.J Schoo-lezing van Wopke Hoekstra “valt in de Kamer niet overal goed”.  Zo zou Wopke Hoekstra goede sier willen maken met de plannen van anderen en is er sprake van een “kille conservatieve agenda”. Is die kritiek terecht?

De lezing van Wopke Hoekstra sprak mij meteen aan. Niet in de laatste plaats omdat ik er veel van herkende uit het discussiestuk dat Klaas Dijkhoff eerder dit jaar heeft gepubliceerd. In dat opzicht is de kritiek terecht dat er veel herhaling in zit. Maar dat is allesbehalve een onwenselijke ontwikkeling, het duidt erop dat wij stapsgewijs naar een gedeelde opvatting komen over wat de problemen zijn die moeten worden aangepakt.

In mijn bespreking van het werk van Klaas Dijkhoff in mijn blog “Sociale rechtvaardigheid in een nieuwe Gouden Eeuw”  spreek ik mijn waardering uit voor het gebruik van het begrip “wederkerigheid”. Wopke Hoekstra gaat op die lijn verder, trekt eveneens een vergelijking tussen onze vorige Gouden Eeuw en de tijd waar wij nu in leven en stelt:

“Wat er misgaat bij migratie en integratie is in de kern hetzelfde als bij de economische druk op de middenklasse: de wederkerigheid is weg, de balans is zoek.”

De middenklasse heeft volgens Wopke last van “The Fear of Falling: de angst om te verliezen wat verworven leek. Om van een kwartje, opnieuw naar een dubbeltje te moeten.” Die angst wordt onderschreven door veel onderzoek dat de afgelopen jaren is gepubliceerd. Bijvoorbeeld door de WRR verkenning “de val van de middenklasse? Het stabiele en kwetsbare midden” dat inzicht geeft in de veranderingen in het middensegment van de Nederlandse samenleving sinds de jaren zeventig. Meteen moet erbij gezegd worden dat die rapportages een genuanceerd beeld geven: de Nederlandse middenklasse is volgens de onderzoekers grotendeels weerbaar genoeg om met de veranderingen om te gaan.

Die nuancering neemt niet weg dat de positie van (een deel van) de middenklasse door economische en sociale veranderingen inderdaad kwetsbaar is. Hervorming en overheidsingrijpen is daadwerkelijk noodzakelijk. Voor politici en opiniemakers uit de conservatieve hoek is dat een reden om te waarschuwen voor de ondergang van de middenklasse en zelfs – zoals Thierry dat doet – voor “de ondergang van het Avondland”.

Wopke erkent de angst die bij een belangrijk deel van de middenklasse leeft voor de veranderingen globalisering, migratie en economische hervormingen met zich meebrengen. Het toekomstbeeld dat Wopke schetst noemt hij zelf ‘somber’ maar is in vergelijking met zijn conservatieve collega’s behoorlijk positief. Wij staan nog niet aan de rand van de ondergang en hebben nog alle mogelijkheid om bij te sturen.

Zijn aanbevelingen om het tij te keren zijn typisch CDA. Het is een pleidooi voor gezamenlijkheid en “meer doen voor de maatschappij dan alleen belasting betalen”. Wij moeten op zoek gaan naar ‘een nieuwe balans waarin de positieve verworvenheden van het individu weer in evenwicht zijn met de belangen van het collectief’. Met als vertrekpunt dat Nederland een samenleving blijft waar de belofte centraal staat dat wie zich inspant, daar ook voor wordt beloond.

Ik denk dat Wopke Hoekstra een belangrijke stap heeft gezet door – als zittend Minister van Financiën – de uitdagingen op sociaal-cultureel gebied te verbinden met die op sociaaleconomische gebied. Los van de typische CDA-paradepaardjes bieden zijn aanbevelingen ook een goede grondslag voor liberalen om mee samen te werken. Dat de lezing van Wopke Hoekstra in belangrijke mate geïnspireerd lijkt te zijn op het discussiestuk van Klaas Dijkhoff beschouw ik zelf als iets dat heel positief is.